Facebook Twitter Tunein YouTube

HERTOG BLAUWBAARDS BURCHT & DE WONDERBAARLIJKE MANDARIJN

Het is al van 1971 geleden dat de deuren van Hertog Blauwbaards burcht, de enige opera van Béla Bartók (1881-1945), nog eens werden opengegooid in de Munt.

Voor de laatste operaproductie van dit seizoen koppelt de Munt dit korte werk – net iets langer dan een uur – aan De wonderbaarlijke mandarijn (A csodálatos mandarin), een “ballet-pantomime” van de Hongaarse componist uit 1919, die eveneens teruggaat op een sprookje.

Aan het begin van de 20ste eeuw wint het verhaal van Blauwbaard, zoals het werd overgeleverd door Charles Perrault, aan belangstelling bij enkele gerenommeerde schrijvers. In 1910 leest de Hongaarse dichter en criticus Béla Balázs zijn eigen tekst over dit onderwerp voor aan enkele vrienden. In de handen van Balázs is het sprookje van Blauwbaard een ‘mysterie’ geworden, geanimeerd door een complexe symboliek, zo goed als vrij van iedere uiterlijke handeling en uitsluitend gefocust op de passie en het echec van een liefdeskoppel. Luisterend naar de dichter raakt Béla Bartók onder de indruk van de soberheid, de poëzie en de symbolische zeggingskracht van diens taal. In enkele maanden tijd componeert hij een compacte en intense partituur, een operadrama voor twee stemmen met een structuur die doet denken aan een symfonisch gedicht.

In Hertog Blauwbaards burcht ontwikkelt Béla Bartók een muzikaal idioom dat van een diepgaande originaliteit en een uitzonderlijke verbeeldingskracht getuigt. De eenakter wordt geritmeerd door het openen van de zeven kasteeldeuren, die elk hun eigen indrukwekkende kleur- en klankbeeld vrijgeven. Op een indrukwekkende climax, die tot het fortissimo van de vijfde deur voert, volgt het dramatische kantelpunt van de zesde deur: boven gedempte strijktremolo’s en zacht paukengeroffel laten arpeggio’s van celesta, harp en fluit in een grandioze symfonische verzuchting een meer van tranen verschijnen. Uit de zevende ten slotte verschijnen de drie vorige vrouwen van Blauwbaard, die Judit uiteindelijk vervoegt. “Vanaf nu zal alles duisternis zijn.”

In 1918, het jaar waarin Hertog Blauwbaards burcht voor het eerst werd opgevoerd, schreef Bartók op een libretto van Menyhért Lengyel, gebaseerd op een Chinees sprookje, de ballet-pantomime De wonderbaarlijke mandarijn (A csodálatos mandarin). Het onderwerp is tegelijk realistisch, extreem erotisch en fantastisch. De bijtende expressionistische muziek is bitter, gewelddadig en losbandig. De partituur voor groot symfonisch orkest getuigt van een extreme intensiteit en klankrijkheid. Het stuk opent met de angstaanjagende herrie van een stad in chaos: opwinding, gesyncopeerde accenten, wervelende strijkers, en wilde kleuren in een orkestrale overvloed die we in het hele werk terugvinden. De fragmenten volgen elkaar snel op: de komische scène van de knappe grijsaard, de aarzelende passage van de adolescent, de wellustige sensualiteit van de verleidingsdansen, hijgende of gewelddadige liefdesscènes met hectische dissonanten, choquerende klankkleuren, grimmige en obsessieve ritmes, tot het bijna ondraaglijk wordt. De laatste scène, waarin de mandarijn sterft, introduceert een mompelend koor zonder tekst, omwikkeld door lange frases van de strijkers. In de uitdovende muziek blaast de mandarijn heel traag zijn laatste adem uit.

Wanneer :
8 juni – 20.00u (première)
13, 16, 19, 21 juni – 20.00u
10 en 24 juni – 15.00u
Waar : Muntschouwburg – Brussel
Info : www.demunt.be

Recent